• Het verhaal van Flevoland

Scroll to Content

LONGREAD (Geschreven in opdracht van de Provincie Flevoland)

Tekenen aan een nieuwe synthese
Pionieren met transities en ruimtelijke kwaliteit in het Flevoland van morgen

Leegte, wijdsheid, horizon. Wat betreft het ervaren gevoel van ruimte scoort Flevoland het hoogst van alle provincies in het Steden & Streken Merkonderzoek van Hendrik Beerda (Beerda, 2017). En ook de reacties vanuit de gebiedsprocessen die worden georganiseerd in het kader van de Omgevingsvisie ondersteunen dit stereotype beeld. ‘Leegte’ is de robuuste basis onder het ‘merk’ Flevoland. Tegelijk is het een kernwaarde die geheel ontworpen en ruimtelijk geconstrueerd is. Het zorgt voor een krachtig beeld dat over de gehele wereld bekend is. Toch schuilt er een risico in deze kracht. Een risico dat het zich vormt als containerbegrip in beleid op de ruimte, plek-specificiteit ontkent en de diversiteit van het ontworpen en ontstane polderlandschap doet vervagen. 

Dit nog los van het feit dat de leegte zelf ruimtelijk onder druk staat, want Flevoland verandert. Het landschap dreigt versnipperd te raken en aan kwaliteit in te boeten onder invloed van allerlei transities. Die transities kunnen anderzijds ook een kans zijn voor nieuwe kwaliteiten. Daar is dan wel een ruimtelijke toekomstvisie voor nodig op regionaal niveau. Maar niet alleen in woorden. Er moet op regionaal schaalniveau weer aan het landschap worden getekend.

Jong volwassene

Officieel is het landschap van Flevoland pas zo’n twintig jaar ‘af’, nadat rond 1997 de basisinrichting van Zuidelijk Flevoland en daarmee het megaproject ‘Zuiderzeewerken’ gereed kwam. Met forse bomen en strak bewerkte landbouwgronden lijkt het landschap inmiddels ook al een zekere mate van volwassenheid te hebben. Dit ondanks dat een stad als Almere nog lang niet volgroeid is en het landschap geleidelijk blijft veranderen. Het ontworpen landschap van de polder is door de schaal van de ruimtelijke ingrepen en de karakteristieke ontwerpmiddelen die zijn ingezet in korte tijd uitgegroeid tot een robuust geheel. Het is tot in het kleinste detail bedacht, geregeld en veelal ook zo uitgevoerd. Het vormt een beeldmerk op zich dat, ondanks de jonge leeftijd, een duidelijke plek heeft in het collectieve geheugen. Het unieke landschap dat werd geschapen en opgebouwd door de ‘pioniers van het nieuwe land’ is inmiddels een vanzelfsprekend en constant decor gaan vormen voor de mensen die er wonen en werken of er zomaar doorheen rijden.

Maar het landschap is niet vanzelfsprekend; er is onderhoud en inzet nodig om de kwaliteit ervan te behouden en onderdeel te laten zijn van de leefomgeving van de toekomst. Kernwaarden als openheid en leegte zijn weloverwogen geënsceneerd en niet door de eeuwen heen gegroeid zoals op oud land. Waar op oud land het landschap onder invloed van grootschalige transities door de eeuwen heen (industrialisatie, verstedelijking, ruilverkaveling, etc.) al een aantal gedaantewisselingen heeft ondergaan, heeft het landschap van de inpolderingen die grootschalige metamorfoses nog nauwelijks gekend. Het nieuwe land zit feitelijk nog in haar eerste levensfase. 

Dat er de komende jaren en decennia wel iets verandert lijkt niet ondenkbaar. We gaan anders wonen omdat we ouder worden, we wekken onze energie anders op en verplaatsen ons op een andere manier. Stuk voor stuk veranderingen die het in zich hebben om ook ruimtelijk tot grootschalige veranderingen in het landschap te leiden en de ‘leegte’ te beïnvloeden. Daarmee wordt de vanzelfsprekendheid van het landschap als ons alledaagse decor ineens heel kwetsbaar.

Van ‘cultuursteppe’ naar landschapsschoon 

De periode waarin de drie polders zijn aangelegd die nu Flevoland vormen, begon eigenlijk met de aanleg van de Wieringermeerpolder als eerste volwaardige polder binnen de Zuiderzeewerken. Bij de inrichting van die polder ontstond een eerste zeer voorzichtige discussie over de inrichting van het toekomstige landschap dat werd gewonnen op de Zuiderzee. Het waren echter de landbouwkundigen die, gemotiveerd door de gewenste verhoging van de voedselproductie de grootste stem hadden in de inrichting van de polder. Het was hun taak om met de ontginning van nieuw land te zorgen voor een sterke toename in landbouwgrond volgens de modernste inzichten; de polder als symbool van technische grootheid. Landschapsarchitect Bijhouwer mocht binnen de strakke lijnen van de ingenieurs van de Zuiderzeewerken een bescheiden beplantingsvoorstel voor de Wieringermeer doen. Ontwerp-discussie over de tracering van de wegen, positie van de kernen en andere functies als natuur en recreatie was er nauwelijks of verliep stroef. Mede dankzij de inzet van gerenommeerde ontwerpers als Van Eesteren kwam er geleidelijk aan meer ruimte voor het ontwerpen van het toekomstige polderlandschap. Dit werd mogelijk aangejaagd door het schrikbeeld van de ‘cultuursteppe’ zoals omschreven rond de jaren dertig van de vorige eeuw, door onder meer Hendrik Cleyndert en Henri Polak – beide verbonden aan Natuurmonumenten (Hemel, 1994). Het beeld van de cultuursteppe vormde een doemscenario waarin het platteland werd ingevuld met kassen en kale weiden en akkers, zonder aandacht voor de ‘blijvende bewoonbaarheid van het land’. Om die dreigende crisis af te wenden riepen zowel Cleyndert als Polak om meer aandacht voor de schoonheid van het landschap, in de vorm van het beplanten van wegen en de aanleg van parken en bossen. Dit en het niet aflatende missiewerk van ontwerpers als Van Eesteren zorgde er voor dat de ontwikkeling, vormgeving en inrichting van de navolgende inpolderingen veel weloverwogener werd gedaan. Steeds aangepaste versies van plannen volgden elkaar in hoog tempo op als gevolg van discussies tussen ingenieurs en ontwerpers of voortschrijdend inzicht. De zorgvuldigheid waarmee de drie polders van Flevoland (de Noordoostpolder, Oostelijk Flevoland en Zuidelijk Flevoland) zijn vormgegeven en de lange tijdsspanne van de planvorming hebben er toe geleid dat er binnen de eenheid van de technische grondbeginselen van de inpolderingen een divers landschap is ontstaan. Vanuit een zekere autoriteit werd door ingenieurs en ontwerpers gaandeweg een nieuw idioom voor de landinrichting op regionaal schaalniveau ontwikkeld én uitgevoerd. 

Drie binnen één

Wie een uitgezoomde luchtfoto van Flevoland bekijkt ziet op het eerste gezicht een vrij homogeen landschap met weinig verschillen tussen de Noordoostpolder, Oostelijk Flevoland en Zuidelijk Flevoland. Niets is minder waar. Flevoland is een tijdlijn; een ruimtelijk verslag van de ontwikkeling van de Nederlandse waterstaatkundige expertise, innovatie in de landbouw, veranderingen in de maatschappij, maar ook van de ontwikkeling van de vakdiscipline van het regionaal landschapsontwerp. Waarin ontwerpmiddelen als beplantingsstructuren, verkavelingspatronen, waterwegen en dijken de gereedschappen werden voor het creëren van een waardevolle omgeving. De weloverwogenheid en het groeiende inzicht waarmee die middelen door de plannenmakers van toen zijn ingezet zou teniet worden gedaan door het landschap van Flevoland als homogeen te bestempelen. Wanneer het vormgegeven landschap van toen ook de kwalitatieve basis en inspiratie moet zijn voor toekomstige ontwikkelingen vraagt dat om een preciezere kijk op het landschap van Flevoland op polderniveau. Dan wordt duidelijk hoezeer ‘leegte’ en dus het landschap in de drie polderlandschappen van Flevoland steeds anders gekneed is. 

In de Noordoostpolder is duidelijk sprake van een continu vormgegeven netwerk van erf- en laanbeplantingen met daarbinnen open ruimten met een maatvaste verkaveling. In Oostelijk Flevoland is de opzet ruimer en zijn, naast de erf- en laanbeplantingen ook de bospartijen die zowel door het midden als aan de randen van het landschap zijn aangelegd, bepalend voor de geleding van de ruimte. In Zuidelijk Flevoland wordt het landschap vooral bepaald door de grote eenheden. Aan de noord-oostzijde door de begrenzing van de Knardijk, in de noordhoek door de Oostvaardersplassen, in de zuid-oostlob door de bospercelen van het Horsterwold, in het westen door de veel-kernige opzet van de stad Almere en haar groengebieden. In het grootse open midden wat tussen deze eenheden in ligt, wordt de leegte met name gedefinieerd door de positionering van met beplanting aangezette boeren-erven. Als monolieten liggen ze in een verder nagenoeg leeg landschap. Uit deze korte globale kenschets blijkt al de verschillende opzet van de drie polderlandschappen. In het erkennen van de drie polderlandschappen van Flevoland ontstaat tegelijk een opgave om ook de andere ruimtelijke kernkwaliteiten dan ‘leegte’ specifiek te maken.

Veelkoppige leegte

De leegte in de Noordoostpolder is een andere leegte dan in Oostelijk of Zuidelijk Flevoland. Door de verschillen in de ruimtelijke opzet van de drie polders, past het niet om te generieke waardebepalingen als ‘leegte’ over Flevoland heen te leggen. De leegte wordt met steeds andere middelen gedefinieerd en levert dus ook steeds een ander type van ervaren kwaliteit op. 

In Flevoland bestaat de leegte en wijdsheid bij de gratie van de rand; een laagdynamisch raamwerk van dijken, lanen, waterlopen en beplantingsstructuren. De rand die bepaalt dat alles ertussen open en leeg moet zijn – een robuust casco dat al vele decennia lang de perceptie van leegte bepaalt. Kernkwaliteiten als ‘leegte’ worden door dat casco op steeds een andere wijze gevormd; met een systeem van laanbeplantingen, dan wel door bospartijen of solitaire boerenerven in de ruimte. De leegte kan niet bestaan zonder deze elementen of objecten die die leegte definiëren. Dit betekent dat een waardering van de leegte tegelijk begrip, kennis en een waardestelling vereist van de andere landschapselementen die in combinatie met elkaar het typerende polderlandschap opbouwen. Hieruit volgt dat zorg voor-, behoud van,- en investering in de kernkwaliteit ‘leegte’ dus ook om aandacht voor de andere landschappelijke elementen vraagt. Een roep om een perspectief en beleid op de landschappelijke kwaliteiten op het regionale niveau van de drie afzonderlijke polderlandschappen en daarnaast hun onderlinge samenhang. Dit vanuit eenzelfde nauwkeurigheid en schaalniveau als waarop deze landschappen oorspronkelijk zijn ingericht en ontworpen. 

Een dynamisch monument

De precisie van de landinrichting van toen is ook nu weer hard nodig, want het vanzelfsprekende en vaststaande polderdecor komt steeds meer in beweging – en eigenlijk heeft het nooit stil gestaan. Toen de dienst Zuiderzeewerken de inpoldering van de Wieringermeer had afgerond en bezig was met de Noordoostpolder groeide langzaam een besef dat men niet alleen bezig was met het creëren van nieuwe agrarische productiegebieden. Voor de nog op stapel staande inpolderingen van Oostelijk en  Zuidelijk Flevoland en destijds ook nog Zuidwestelijk Flevoland (Markerwaard) sprak men in het vervolg over de ambitie om ‘te komen tot een inrichtingsplan van de polders, dat, eenmaal uitgevoerd, aan de opvolgende generaties van toekomstige bewoners tot heil van het gehele land, een gewest zal bieden, waar met vreugde geleefd en economisch gewerkt zal worden’ (Directeur Zuiderzeewerken Dhr. De Blocq van Kuffeler, 1950) (Hemel, 1994). Hiertoe diende naast het landbouwkundige ook het economische, maatschappelijke en landschappelijke onderzocht te worden. Vooraanstaand stedenbouwkundige Van Eesteren sprak eerder al vanuit eenzelfde perspectief over de ‘monumentaliteit van de Zuiderzeewerken, welke zo’n groot werk door een centrale gedachte en visie geleid kan en moet bezitten’. In letterlijke zin veronderstelt deze monumentale gedachte dat het landschap zoals we dat nu aantreffen als een statisch iets, een onveranderlijk object. Dat is uiteraard niet zo. 

De ingenieurs en ontwerpers van toen beoogden een landschap in te richten dat de schaalvergroting van de landbouw en de vestiging en uitbreiding van dorpen en steden over een lange periode kon faciliteren. Het is een ultiem voorbeeld van de casco-benadering in de landinrichting die later een vaststaand onderdeel werd van de traditionele landschapsarchitectuur. Een laagdynamisch raamwerk, opgebouwd uit (water)wegen, beplantingsstructuren en boerderijen als vaste constante met daarbinnen hoger dynamische (ontwikkel)vlakken waar landbouw wordt bedreven en dorpen en steden zich ontwikkelen. Dit casco lijkt zich in Flevoland al decennia lang tamelijk goed te houden onder de in de tijd van ontwerp en aanleg geschetste toekomstige veranderingen.

Verandering van / aan de horizon

Maar in hoeverre is die monumentaliteit volhoudbaar en toekomstgericht wanneer we op dit moment opnieuw vooruit moeten kijken? Hoe ver reikte het toekomstbeeld van de deskundige ingenieurs, stedenbouwers, waterbouwkundigen en sociologen van toen? Alhoewel de visies op de landinrichting van toen zeer vooruitstrevend waren moet ook aangetekend worden dat veranderingen al plaatsvonden toen de uitvoering van de Zuiderzeewerken nog in volle gang was. In vergelijking met de Noordoostpolder werden de landbouwkavels in Zuidelijk Flevoland bijvoorbeeld al groter aangelegd en kreeg het landschap daarmee een andere ‘maat’ als gevolg van nieuwe inzichten. 

Die veranderingen vinden ook nu en in de toekomst plaats en leiden tot de eerste haarscheurtjes in het casco. Bijvoorbeeld door ontwikkelingen in de landbouw, feitelijk de basis van de polders. Het aantal boerenbedrijven in Flevoland daalde tussen 1980 en 2014 van 2.581 bedrijven naar 1.768 bedrijven (CBS, 2018). Naar verwachting daalt dit verder naar 1.500 bedrijven rond 2025 (LEI Wageningen UR, 2016). Uit de Milieu Effect Rapportage van de Noordoostpolder (Witteveen en Bos, 2013) blijkt dat de transformatie van de agrarische erven naar verwachting de komende tien jaar een van de belangrijkste ontwikkelingen in de polder is. Omdat het aantal agrarische bedrijven afneemt zijn er erven die hun agrarische functie verliezen en getransformeerd worden naar wonen of andere functies. Tegelijk schalen de blijvende agrariërs hun bedrijven verder op. Voor hen is de omvang van het agrarische standaard-erf van 1 hectare uit het oorspronkelijke verkavelingsplan van de polder inmiddels te klein. Het gevolg is dat op veel plaatsen in de polder al uitbreidingen zichtbaar zijn in de vorm van nieuwe grote schuren die buiten de karakteristieke erfbeplanting zijn geplaatst. Daarmee wordt een stuk van de ‘leegte’ geclaimd en het oorspronkelijke casco aangetast. 

Hoever het toekomstbeeld van de ingenieurs en ontwerpers van de polders van toen ook leek te reiken, de tijd staat nooit stil – het landschap verandert continu. Parallel veranderen dus ook de landgebruiksfuncties zoals de landbouw mee en doen deze een nieuw appèl op het landschappelijk casco en de monumentale horizon. Precies daar ontstaat spanning. Alom bekende en omarmde kernkwaliteiten als ‘leegte’ worden ineens heel kwetsbaar en veranderen in hygiënefactoren van het landschap. Een sterk regionaal landschappelijk plan is hard nodig om principes te ontwikkelen die deze ontwikkelingen ruimtelijk beter inpassen en zorgen voor een update van het casco en haar kwaliteiten. 

Transities omarmen en ontwerpen

Was vanuit de oorspronkelijke landschapsplannen voor de polders het casco en de leegte daarbinnen als min of meer vaststaand uitgangspunt ontworpen voor toekomstige ontwikkelingen, nu zien we dat die vaststaandheid in beweging komt. Ondanks dat het landschap relatief jong is, komen transities zoals verdere schaalvergroting in de landbouw en de energietransitie eraan.

Flevoland liep decennia lang voorop als energielandschap met grote opstellingen van windturbines op land. Vanuit die optiek is het makkelijk om te zeggen dat Flevoland wel gewend is aan een energielandschap. Maar inmiddels zijn de windmolens van toen naar de huidige maatstaven te klein en ondergaat Flevoland net als de rest van Nederland een nieuwe transitie. Met meer en grotere windturbines en daarnaast de komst van bijvoorbeeld zonneweides. In het geschetste toekomstbeeld van de studie ‘Energie en ruimte – een nationaal perspectief’ (Sijmons et. al. 2017) wordt duidelijk dat het landschap van Flevoland ook rond 2050 een aanzienlijke verandering heeft ondergaan, met fors meer windmolens en de komst van zonneweides in de polders en langs de randen. 

Dit kan ook in Flevoland nog steeds op verzet rekenen. In reactie op een nieuwsbericht van Omroep Flevoland over de komst van een zonnepark bij Emmeloord schrijft iemand ‘waarom wordt er luxe landbouwgrond voor opgeofferd, waar mijn opa hard voor gewerkt heeft?’ (Omroep Flevoland, 2016). Het is en blijft lastig, ook vanwege de zeer beperkte hoeveelheid aan goede of vernieuwende voorbeelden, een voorstelling te maken van een energielandschap wat niet ‘hard’ en technisch is. Het risico is dan ook levensgroot dat, aangejaagd door de snel toenemende initiatieven voor windturbines en zonneweides, maar zonder een regionale visie of plan, het landschap te grabbel wordt gegooid. Vergelijk het met het ‘harde’ landschap van groeiende bedrijventerreinen langs de snelweg en dorps- en stadsranden zoals we dat al langer kennen. Loodsen die op plekken staan waar de oorspronkelijke ontwerpers van de polder via de zorgvuldige tracering van de weg een panoramisch beeld op de polder en ervaring van de ritmiek van de ontworpen beplantingsstructuren hadden beoogd. 

Anderzijds is het niet reëel om dergelijke ontwikkelingen tegen te houden. Bijvoorbeeld vanwege de economische belangen of de noodzaak om energieneutraal te worden. Dat geldt ook voor de genoemde schaalvergroting in de agrarische sector in de Noordoostpolder. De landbouw heeft decennia lang het land bewerkt en in de vorm van open weiden en graanakkers de nu zo gewaardeerde ‘leegte’ in grote delen van de polder feitelijk verzorgd en gegarandeerd. Daarmee hebben de agrariërs een essentiële rol gespeeld in het tot volle wasdom laten komen van het oorspronkelijke ontwerp van de polders. Deze rol kunnen ze ook in de toekomst weer spelen, indien zij als rentmeesters van het landschap worden gefaciliteerd in hun bedrijfsvoering vanuit het belang van het polderlandschap. 

Echter is onverschilligheid ten opzichte van het zorgvuldig vormgegeven en ingerichte polderlandschap volstrekt onacceptabel. Voorkomen moet worden dat gepoogd wordt transities in het landschap met micromanagement aan te pakken. Denk aan het versnipperende schaamgroen waarmee goedbedoelde pogingen worden ondernomen om bijvoorbeeld bedrijfshallen, schuren, stallen of zonneweides deels aan het zicht te onttrekken en ‘in te passen’. Daarbij wordt voorbijgegaan aan de kans en noodzaak om ruimtelijke transities zoals bijvoorbeeld schaalvergroting en de energietransitie als regionale ontwerp- en inrichtingsopgave te zien. De door versnippering van mandaat en verantwoordelijkheid voor het landschap ontstane postzegelplanologie helpt hier niet bij. 

Naar een nieuwe synthese

De realisatie van de Zuiderzeewerken vormde een van de grootste transities van het Nederlandse landschap ooit. De opgaven van de aanstaande ruimtelijke transities raken aan dezelfde weerstand tegen het schrikbeeld van de ‘cultuursteppe’ die ontstond rond de eerste inpolderingen van de Zuiderzeewerken. Vanuit die weerstand groeide uiteindelijk, dankzij inspanningen en vasthoudendheid van vooraanstaande belangenbehartigers en ontwerpers, landschappen die nu zijn uitgegroeid tot cultureel erfgoed en onderscheidende woon- en werkomgevingen. Dit leerde ons de noodzaak voor regionale landinrichtingsplannen en laat ons nu zien welke kwaliteiten dat kan opleveren. Vanuit diezelfde weloverwogenheid van toen moeten ook de toekomstige transities worden benaderd. De transities verplichten ons om opnieuw te gaan pionieren. Hierin is het regionale landinrichtingsplan de belofte om via transities kwalitatief hoogwaardige vernieuwende landschappen te creëren.

Het feit dat ondanks veranderingen in de afgelopen decennia, het landschap van de polder zich zo lang tamelijk goed heeft gehouden, ligt in de kracht van het landbouwkundige en waterstaatkundige landschap in combinatie met het regionale landschapsontwerp. Een landschap waarin de logica van systemen als verkaveling, waterlopen en beplanting zo intens met elkaar verweven is dat er een robuuste en vanzelfsprekende synthese tussen de systemen is ontstaan die over een lange periode veranderingen en dynamiek aan heeft gekund en kwaliteit heeft behouden. Dat biedt hoop voor de aanstaande transities in de toekomst, maar vraagt wel om oplettendheid en nieuwe ambities.

De traditie van landinrichting en ontwerp op regionaal schaalniveau is minder gemeengoed geworden. Sinds de overheid de kwaliteit van het landschap van de rijksagenda schrapte ontstond een gebrek aan regie op het regionale landschap en gaat aandacht teveel uit naar het micromanagement van de leefomgeving. Om de transities van de toekomst een aanleiding en inspiratie te laten zijn om opnieuw een landschap te creëren dat ‘een gewest zal bieden, waar met vreugde geleefd en economisch gewerkt zal worden’ is diepere kennis en begrip nodig van de elementen en ontwerpmiddelen die het landschap van de drie polders van Flevoland opbouwden. Dit met het besef dat die ontwerpmiddelen speciaal ontwikkeld zijn om binnen de toenmalige grootschalige transitie van de inpolderingen onderscheidende landschappen te creëren. Dankzij die transitie is naast het bijzondere landschap ook een vakgebied ontstaan met een geheel eigen gereedschapskist van inrichtingsprincipes. 

Met de aanstaande transities als belangrijke opgaven moet de gereedschapskist van toen met eenzelfde weloverwogenheid worden doorontwikkeld om tot een robuuste en waardevolle nieuwe synthese te komen. Het is daarmee niet uitgesloten dat het cultuurhistorisch waardevolle polderlandschap verandert. Hoe die verandering wordt vormgegeven met aandacht voor ruimtelijke karakteristieken als de plekspecifieke ‘leegte’, is een urgente ontwerpopgave. Het pleit voor een herintroductie van het regionale landschapsplan, als leidraad voor groei en transities in en van het landschap. Een instrument waarmee we gemotiveerd worden om op regionaal schaalniveau actief en doorlopend aan het samenhangende polderlandschap te blijven tekenen en er niet alleen over te praten. Enerzijds defensief, door ontwerp in te zetten om bestaande kwaliteiten te behouden en het regionale plan als getekend kwaliteitskader te laten dienen. Anderzijds constructief door actief inrichtingsprincipes te ontwikkelen die transities verweven met het bestaande landschap met oog voor het hoge schaalniveau. Een belofte om vanuit een nieuw pioniersschap landschappen te ontwikkelen die het in zich hebben om over 50 of 100 jaar opnieuw cultuurhistorisch erfgoed te worden.

 

Literatuur

Steden & Streken Merkenonderzoek, Hendrik Beerda, 2017 

Het landschap van de IJsselmeerpolders, Z. Hemel, 1994 

CBS Statline, geraadpleegd 16-05-2018.

Toekomstperspectief agrosector Flevoland, LEI Wageningen UR, 2016

Milieu Effect Rapportage van de Noordoostpolder, Witteveen en Bos, 2013

Energie en ruimte – een nationaal perspectief, Sijmons et. al. 2017

Emmeloord krijgt grootste zonneweide van Flevoland, Omroep Flevoland, 2016

De Groene IJsselmeerpolders, A. J. Geurts, 1997

Een halve eeuw landschapsbouw, R. de Visser, 1997

Atlas voor Flevoland 1971, Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders, 1971

Atlas voor Flevoland, Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders, 1969